Eerdere projecten van PassieVoorPasen |
|
De passies van Bach zijn niet uit de lucht komen vallen, maar staan in een traditie van het reciteren van het verhaal van het lijden van Christus, een essentieel onderdeel van de liturgie van de Goede Week. In de 17e eeuw schreef Heinrich Schütz (1585-1672) als grijsaard zijn passies in een stijl die toen al antiek was: de evangelist reciterend op één toon met hier en daar een figuurtje of een cadensje om een afsluiting te accentueren. Johann Theile was leerling van Schütz, maar in zijn enig bewaard gebleven passie, de Passio Domini Nostri Jesu Christi secundum Evangelium Matthaeum uit 1673, spreekt een heel andere geest. Hij zette modernere middelen in: begeleiding door basso continuo en commentaar op het Evangelie in de vorm van vier aria's. De evangelist wordt, net als in Bachs circa 50 jaar latere passies, gezongen door een tenor, maar hij zingt geen recitatieven in Italiaanse operastijl zoals bij Bach. De gezongen woorden van het Evangelie worden omspeeld door twee viola da gamba's, die gebroken akkoorden in achtstenbeweging spelen en hier en daar met een tussenspel de geledingen van de tekst markeren. Jezus wordt eveneens zoals bij Bach door een bas gezongen en wat gedragener door de klanken van twee violen begeleid. De andere rollen, zoals Pilatus, Petrus, Caiphas etc. moeten het doen met alleen basso continuo. Opvallend is dat Judas gezongen wordt door een altstem. In Theiles tijd was dat automatisch een mannelijke alt, een falsettist, de meest geschikte stem om een 'vals' karakter mee uit te beelden. De aria's zijn misschien wel de grootste vernieuwingen van Theile. Het zijn geen grootscheepse aria's zoals in de opera, maar eerder liedjes in de stijl van het Lutherse kerklied uit die tijd, steeds geëchood door een instrumentaal ritornel. Ze doen denken aan de melodieën van Bachkoralen. Het koor is steeds vijfstemmig met een dubbele sopraanstem. Het zingt precies dezelfde teksten als in Bach's Matthäus Passion, maar dan heel eenvoudig en beknopt gezet: zelden zijn de koren langer dan een maat of tien. Een uitzondering vormt het slotkoor, een strofisch lied dat ook aria wordt genoemd in de partituur. Daar worden nog eenmaal alle stemmen en instrumenten verzameld voor een waardig slot. Ook in het programma: Es ist nun nichts verdammlichesBehalve de passie klonk ook het motet Es ist nun nichts verdammliches van Theile in dit programma. Het is een motet voor solisten koor en ensemble rond een tekst die bekend zal voorkomen: in Bachs motet Jesu meine Freude is het de tekst van de beroemde centrale fuga. Het ensembleHet koor bestond uit zangstudenten en ervaren amateur koorzangers. Hieruit werden ook de kleinere solo's gerekruteerd. Daarnaast zijn professionals aangetrokken, twee solisten en zeven instrumentalisten. De locaties van de concerten zijn historische monumenten met een zeer geschikte akoestiek en atmosfeer. De concerten vonden plaats op 19 (Oudkatholieke Kerk, Den Haag), 20 (Engelse Kerk, Amsterdam) en 21 maart 2010 (Pieterskerk, Utrecht), net op tijd om niet kopje-onder te gaan in de J.S. Bach passie-tsunami die zoals bekend ieder jaar in de laatste twee weken voor Pasen het land overspoelt. MedewerkersDirigent Dirkjan Horringa heeft jarenlange ervaring met het 'opgraven' en weer beschikbaar maken van niet meer courante muziek. Zijn specialisme is de Duitse en Boheemse muziek van de 17e en 18e eeuw. Jos van der Velde (tenor) en Mitchell Sandler (bas), beiden erkende en gevierde specialisten, hebben de belangrijkste mannenrollen vertolkt. |
Impressie van de passie van Theile |
![]() beeld van de belichting van de Johannespassion 2006 Johannespassion 2006Palmzondag 2006 werd in de Utrechtse Augustinuskerk Bachs Johannes-Passion uitgevoerd. De belichting van de kerk werd verzorgd door lichtkunstenaar Olaf Donk. |
Matthaeus Passion 2005In 2005 konden bezoekers van Tivoli genieten van Bachs Matthaeus Passion, met videobeelden en boventiteling. Een registratie van dat concert kunt u hier bekijken. |